top of page

Stijf

Een roman over de avonturen en de mijmeringen van een antiheld. 

Boek-stijf.png

Dit zijn de eerste pagina's van de roman Stijf.

​

© 2026 Matthias Vannieuwenhuyze. Alle rechten voorbehouden.

Dit manuscript en alle bijbehorende teksten zijn beschermd door het auteursrecht. Niets uit deze publicatie mag worden gekopieerd, verspreid, gereproduceerd of bewerkt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.

1

​

Ik vergeet nooit dat ene beeld van mijn grootvader: opgerolde mouwen, zittend in een halfversleten leunstoel met de haren naar beneden hangend. Romig bleek als een cherubijn op klassieke schilderijen, haastig slokken nemend van een zoveelste Elixir d’Anvers. Zijn gescheurde onderlip trok er wit van weg tussen zijn valse tanden. Hij liet sloffend de grauwe kater buiten. Het was dan ook een kat die hij eigenlijk nooit had gewild. Meer nog, had zijn vrouw hem gesteund, dan was de vechtende vlooienbal in een jutezak in de rivier verdwenen. Maar alles stond op het punt te veranderen. En dus ook zijn affectie voor de langharige kater Rudy.

​

Hij hoorde een auto binnenrijden en vulde zijn glas nog een keer. De tel was hij ondertussen kwijt. Een strenge dagindeling was nu niet van toepassing, hij moest de tijd even loslaten. Vier uur in de ochtend was het. We waren allemaal zo snel mogelijk gekomen. Na een rit tussen remslaap en ongeremde paniek kwamen we bij de grote houten poort aan. Ik had vroeger op dezelfde plek dikke kruisspinnen staan vangen. Mijn vader zette zijn voet onder de gleuf van de laagste plank om met één ruk de poort te openen. Er gebeurde even niets, voor de actie heerste de grote stilte.

​

Eenmaal binnen vulde een indringende geur mijn neusgaten. Grootvader zat terneergeslagen in de woonkamer. Hij trilde. De groeven van zijn huid wierpen een schaduw over zijn zoekende gelaat. Hij had minstens een halfuur alleen gezeten in de kamer waar zijn vrouw haar laatste adem had uitgeblazen. ‘Een zuchtje, meer niet,’ zei hij. Hij keek erbij alsof de wereld rondom hem zonet was weggezakt. Zijn andere kinderen waren er al, maar ze kregen amper een woord over hun lippen. In die woonkamer waar tijdens familiefeesten wildschotels, belegde broodjes en schuimtaarten binnengleden als engelenspijs, hoorde ik voor de eerste keer snikken, maar geen grimlachjes.

​

‘Sommige mensen vergeten niks. Ze onthouden gezichten, nummerplaten, pianostukken en volledige gedichten. En ik ben na een dik halfuur al de stem van mijn vrouw vergeten. Ik heb de strijd al verloren nog voor hij begonnen is,’ zuchtte mijn broosgeworden grootvader. Hij wreef in zijn handen en likte met zijn lederen tong een druppel Elixir van zijn wijsvinger. Mijn grootvader heeft vaak zijn gevoelens verstopt, maar op dat moment was hij meer zichzelf dan ik hem ooit heb gezien. Hij neuriede een melodietje dat op Into My Arms van Nick Cave leek. Hij nam mijn duim vast. Ik voelde mijn ogen zwellen. De tranen kwamen niet, zo was ik niet opgevoed. Gevoel belemmert rede.

​

Ik weet nog dat ik vroeger altijd gefascineerd was door zijn handen. Wanneer hij mij op woensdagmiddag kwam oppikken, kon ik niet wachten tot hij mijn hand fijnkneep. Met dat geruststellende gebaar brak hij dan ook meteen de week in twee. Tijdens de autorit naar huis maakte ik het schakelen bijna onmogelijk door steeds over de groeven van zijn handen te glijden. Het was een mirakel dat een man met zulke ruwe handen zulke elegante cantates kon spelen. Deze handen hadden alles gevoeld. Schoonheid, arbeid, verdriet. Wanneer ik nu naar zijn handen kijk, besef ik dat hij zijn eigen hoogtepunt van esthetiek nooit meer zou aanraken.

​

Mijn vader deed wat hij altijd deed. Hij plaatste zichzelf buiten tijd en ruimte en bleef stoïcijns. Hij was zo rustig dat het een beetje akelig werd. Ik zag zijn schaduw over de muren glijden alsof de laatste gezant van de dood nog even afscheid moest nemen. De schim hield uiteindelijk halt voor het sterfbed van mijn grootmoeder. Een lamp knipte aan en het felle licht deed de ogen van de andere aanwezigen pijn. Vaders hoornen bril zakte bijna van zijn neus. Hij tilde het vochtige deken op en zuchtte. Hij voelde met zijn hand aan de dauw op het kussen en rook vervolgens uitvoerig aan zijn vingers. Ik zag op dat moment de ijzeren blik van een man die de dood en de zijnen meermaals in de ogen had gekeken. Dit was geen eenmaligheid, dit was vertrouwdheid, gewenning en misschien zelfs onverschilligheid. Ik had mijn moeder vaak naar details van vaders jeugdjaren gevraagd, maar ik had nooit een bevredigend antwoord gekregen. Via mijn moeder had ik al halve verhalen gekregen, maar ik was zijn enige zoon en wou alles uit zijn mond horen. Die kans was echter klein. Mijn vader kauwde altijd vier keer op zijn woorden. Het vergde vaak zelfs een vijfde keer voor hij er uiteindelijk een zin uitspuwde. Aan zijn bezinningsmomenten was ik ondertussen gewend geraakt. Ook deze keer hield hij zijn gedachten voor zichzelf. In ‘t binnenste van zijn ziel zat hij al ettelijke etmalen ten troon. Dat zou zo blijven tot het einde der tijden.

​

De klamme stilte werd plots doorbroken door hysterie. Mijn tante begon te huilen en mijn moeder snikte mee. Dat had je met tweelingen. Ik had me altijd verbaasd over de onuitputtelijke voorraad zoutwater die in hun traankanalen schuilde. De hemel huilde mee en de wind schuurde langs de schilferende rolluiken. Het huis van mijn grootouders zat nog eens vol. Deze keer in een volkomen onbekende sfeer. Er werd geen koffie geschonken, er werd niet gepolst naar potentiële voortplantingsplannen en de kater kon niemand tot bloedens toe krabben. De geur die voortdurend mijn neusvleugels kwelde was er een die ik niet bepaald kon thuisbrengen. Gabrielle Wittkop had het, geloof ik, ooit omschreven als ‘de geur van de zijdevlinder’. Een subtiele geur die versterkt wordt door een overlijden of een dodelijke ziekte. De geur ligt als het ware op je te wachten. Nietsontziend slaat hij toe. Een kwelduivel van een voltrokken leven.

​

Ik had de moed niet om mijn grootmoeder te groeten en ging in de keuken zitten. Ik vroeg me af wat dit moment nu precies te betekenen had. Mijn eerste persoonlijke ontmoeting met de dood. De dood komt immer ongelegen, en zeker om vier uur ’s morgens. Zoiets? Ik staarde langdurig voor me uit. Mijn zintuigen vervloeien in elkaar. Ik was deze nacht in een labyrint terechtgekomen en ik had een vermoeden dat ik niet door een dappere Faun gered zou worden. Mijn Faun had kille horens en de groene muren waren veel te hoog. Dat zou veel later ook blijken. Het leek toen al alsof ik niet alleen aan de ronde keukentafel zat.

​

Niet veel later stond mijn grootvader op. Zijn gewrichten kraakten, zijn spieren knetterden en zijn zenuwen rammelden. Hij graaide met een stevige ruk de fles Elixir van tafel. Hij haalde één glas uit de kast, blies het stof eraf en zette het voor mijn neus op de keukentafel. ‘Niemand haalt het van de tijd.’ Hij probeerde te lachen, maar de bescheiden glimlach kon nog geen derde van zijn verdriet camoufleren. ‘Zestig jaar. Zestig jaar voortdurend samen. Met dezelfde persoon. Nergens anders de knoest gaan uitschudden.’ Hij ontkurkte de fles en verplichtte me om te toosten op mijn grootmoeder. Het glas trilde in zijn hand en de gele vloeistof drupte op het tafelblad. Ik gooide de siroop in één teug binnen. Zo deed ik het ook met mijn geliefkoosde mazout.

 

‘Je grootmoeder hield me scherp. Ze wist perfect wanneer ze moest handelen en wanneer ze moest relativeren. Ooit vind je zo’n vrouw en dan mag je in je handen klappen. Parkeren of een pot confituur openmaken dat leren ze nooit, maar je mag niet te veel verwachten.’

​

Hij stond op, wandelde moeizaam richting de achterdeur, opende die op een kier en nam zijn gehavende kater in de armen. Het beestje stond al minuten in het hout te krabben. Hij hield de kat op ooghoogte en sprak er tegen als tegen een kind: ‘Je bent voorlopig mijn enige tastbare aandenken, Rudy, vanaf vandaag verandert alles. Vanaf vannacht slaap jij in mijn kamer.’ Rudy spinde voornaam en bengelde met zijn pluizige pootjes in de lucht. Het beest was zichtbaar in de war. De doorgaans onstuitbare drang om ogen uit te krabben en lichaamsdelen te separeren van de romp werd weggemoffeld achter ietwat normaal kattengedrag. Het leek wel alsof het beest unaniem akkoord ging met het referendum en de positieve nieuwe huisregels.

​

Ik heb altijd gedacht dat de dood het einde van iets inluidt. Het einde van een jarenlange liefde of van een ongecompliceerde vriendschap. Het einde van fotoalbums, familiefeesten, extra zakgeld met Sinterklaas… In werkelijkheid is de dood het begin van een reeks onaangekondigde ontwrichtingen. Het begin van decennia aan tranen, ziektes en confrontaties. Ik haatte op dat moment die verachtelijke dood, maar ik zou er daarna nog verscheidene keren met weemoed aan denken. Koortsdromen, wanen

en illusies zouden me regelmatig met een voet uit één of ander zweterig bed duwen. Ik zou me elke keer afvragen hoe ik daar in godsnaam gekomen was, terwijl een pasklaar antwoord vermoedelijk niet snel zou komen.

​

Zin om verder te lezen? Laat gerust iets van je horen via het contactformulier.

bottom of page