
Dit zijn de eerste hoofdstukken van de roman Onder de populier.
© 2026 Matthias Vannieuwenhuyze. Alle rechten voorbehouden.
Dit manuscript en alle bijbehorende teksten zijn beschermd door het auteursrecht. Niets uit deze publicatie mag worden gekopieerd, verspreid, gereproduceerd of bewerkt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
1
In de Groenestraat, tussen de weiden, velden en open vlaktes waar vossen elke nacht strooptochten organiseren, ligt een landhuis. Het huis valt op omdat er een enorme populier tot boven de leien van het dak klimt. De takken krullen zich langs het huis en reiken tot ver langs de grachten. De stam van de boom is zo fors dat je hem vanuit de andere wijken kan zien. De boom heeft zelfs gulzig een stuk van het hek opgeslokt. Drie draagpijlers zijn jaren geleden van hun taak ontheven en volgzaam een deel van de boom geworden. De Groenestraat ligt ver van het centrum en de stadsmensen komen er enkel in november. Het kerkhof ligt namelijk verder op de weg. Als november de adem van de mensen kristalliseert, komen ze in groten getale hun bonte chrysanten naast de marmeren kruisen en gedenkstenen ordenen. Dat doen ze echter nooit zonder even stil te staan voor het befaamde landhuis. De boom en het huis verdienen een aanblik, al is het kort en schichtig.
Foutgeparkeerde wagens vormen dan een keer per jaar op de drukke herfstdagen een polonaise tot aan het huis. Toch is er niemand die zich voor het afgesleten hek durft te posteren. Er blijft altijd een plaatsje open, zodat het zicht zeker niet belemmerd wordt. Niemand weet wie het huis heeft gebouwd. Het staat al jaren te koop via een onbekend kantoor. Een tussenpersoon heeft via een tussenpersoon een tussenpersoon geregeld om het landhuis te verkopen, maar er heeft in vijf decennia niemand gebeten. De grotere werken schrikken zelfs de noeste mensen af. Voeg daar nog een vleugje volksmysterie aan toe en het huis blijft voor eeuwig leeg en onveranderd. De populier kan zo ook jaren in vrede blijven klimmen en kronkelen zonder de jaarlijkse dreiging van snoeischaren en hakbijlen.
Het was op zo’n kille novemberdag dat ik werd weggeplukt van voor het tv-scherm. Mijn vader viel over het boekentasje van Samson & Gert dat ik na school bliksemsnel in de gang had gegooid en kwam voor me staan. Hij was erg groot en struis, mijn blik kon er niet rond. Ik kon niet meer volgen wat Bart Peeters allemaal tegen Sinterklaas aan het vertellen was en dat frustreerde me mateloos. Het paard van de sint was ook zoek en ik kon nu nooit ontdekken waar de schimmel verstopt zat. Op de speelplaats werden om tien uur altijd heel zorgvuldig de programma’s van Ketnet gefileerd en nu kon ik niet meepraten. Dit was plots een gruwelijke samenloop van omstandigheden.
‘We gaan naar je grootmoeder’, zei hij nors terwijl hij aan zijn oor krabde. Hij vertrok vervolgens naar de gang om zijn jas aan te doen. De ritssluiting van vaders jas zoemde. Ik zag hem mijn rugzak in de hoek schoppen en besloot om hem te volgen. Hij nam mijn jas van de kapstok, stopte mijn armen erin en pakte me in tot boven. Hij zette meteen daarna mijn blauwe muts op mijn hoofd en kneep in mijn wang. Samen stapten we over de drempel van de voordeur. De spiegels van de auto schoven naar buiten en de lichten knipperden met een oranje gloed. De deur was zwaar, ik kreeg ze amper open. Mijn vader hielp me met de gordel en gooide zijn sleutels in het opbergkastje waar ook een reep kauwgom en een verzameling munten lag.
In de auto stond altijd een album van Bruce Springsteen op. Er werd zelfs occasioneel een mannentraan gelaten tijdens The River. Het zou me pas later opvallen hoe levensbepalend de muziek van de Amerikaan voor mij zou zijn. Springsteen zou voor mij ook voor eeuwig met mijn vader verbonden zijn, geen enkel nummer zou ooit nog losstaan van de man die me had opgevoed. Hoe ouder Springsteen werd, hoe grijzer de haren van mijn vader werden. Hij werd de liedjes nooit beu en ik was nog niet oud genoeg om te beseffen dat nummers vaak een persoonlijke houdbaarheidsdatum hebben.
We reden de Groenestraat in achter de grote banden van een roodgroene tractor. Mijn vader riep bits dat er een grote kar met bieten werd vervoerd en dat het onmogelijk was om in te halen. Terwijl hij twintig kilometer per uur reed en naarstig meefloot met Streets of Philadelphia viel zijn oog op het landhuis met de populier. Het was alsof zijn blik aan het huis kleefde. Later heb ik veel nagedacht over dit moment. Dit was eigenlijk het moment waarop wij de strijd zijn verloren. Hij lette niet meer op de weg en parkeerde zijn auto in de berm. Hij was zo gefascineerd door het huis dat hij vergeten was dat we eigenlijk naar het graf van zijn moeder kwamen kijken.
‘Ik ben direct terug, blijf jij maar zitten’, riep hij nog terwijl de autodeur al dicht was.
Van zodra mijn vader uit de wagen stapte, viel de muziek weg. Hij stak de straat over, leunde met een hand op het hek en keek omhoog. Hij scande de omgeving en liet zijn blik rusten op het verkoopbord. Wat voor hem waarschijnlijk een moment leek, duurde in werkelijkheid erg lang, zeker voor een kind. Ik begon ongeduldig in de stoel te schuifelen. Hij nam zijn telefoon, toetste een nummer in en begon te praten. Het gesprek duurde niet lang, ik zag vanuit de auto af en toe zijn mond bewegen, maar het leek alsof het woord vooral aan de andere kant van de lijn werd gevoerd. De gsm verdween snel in zijn broekzak, hij tuurde nog even naar de nok van het huis en liep over de straat terug naar onze auto. De muziek startte weer.
‘Was het mama?’, vroeg ik ongedurig.
‘Nee’, antwoordde hij kort.
‘Wie dan?’
‘Ik heb eens rondgebeld voor het huis’, zei hij trots terwijl hij zijn blik nog eens naar links liet afwijken.
Het besef sijpelde daar al binnen tussen die vreemde velden met een slome, sputterende tractor in de verte. Het was moeilijk om er mijn vinger op te leggen, maar het totaalplaatje klopte niet. Er zat een olievlek op het doek en ze verpestte de volledige rust in het bucolische schilderij. Het was merkwaardig dat er ook geen enkele vogel op het hek of in de populier zat. Ik was zoals altijd echt heel hard op zoek naar vogels, maar die kwamen hier blijkbaar niet. Het was nochtans de uitgelezen plek voor kraaien, kauwen en roeken. Mijn vader is daarna meteen naar huis gereden, een pak sneller dan normaal. Hij heeft zijn voet niet van het gaspedaal gehaald. Hij was compleet vergeten dat ik naast hem in de auto zat en dat we eigenlijk zijn moeder kwamen groeten. Zijn zelfvoldane glimlach kon zelfs mijn moeder er niet afhalen toen ze thuiskwam van de late shift op het werk.
2
Het was een geseling om naar Het Liegebeest te kijken. Ik zag de misvormde poppen met de scheefgetrokken glimlach ’s nachts als het licht uitging en als ik met mijn ogen knipperde. Ik wou er eigenlijk helemaal niet naar kijken, maar als ik zapte dan miste ik mijn favoriete show. Dat was zo al twee keer gebeurd en dat risico wou ik niet nog eens lopen. Mijn vader vond het belachelijk. ‘Je mag in het leven van niets en niemand bang zijn. Dat wordt tegen je gebruikt’, zei hij dan. Het is bij mij ook veel later binnengedrongen dat de poppen van Het Liegebeest net geschapen werden om afschuwelijk te zijn, want liegen is afschuwelijk. Dat moest visueel ook zo overgebracht worden. Kinderen mochten zeker niet denken dat liegen mooi is. Je kan leugens ook op de contouren van mensen aflezen en lelijke mensen liegen meer dan mooie mensen. Het Liegebeest loog zelfs zoveel dat hij groen zag, ha!
Sinds het huis met de populier in het netvlies van mijn vader was getrokken, werd er thuis ook veel gelogen. Vader viel niet meer over de schooltas en kwam niet meer voor de televisie staan. Hij was er simpelweg niet meer. Hij kon perfect vervangen zijn door een kloon, daar was ik sowieso in de volgende drie jaar niet achter gekomen. De kerstlichtjes verdwenen niet meer in februari, ze bleven het hele jaar hangen. De klimophaag langs beide kanten van het huis werd geen twee keer per jaar meer gesnoeid, de bladeren groeiden door het raster van de buren tot die zelfs naar mij geen goedemorgen meer riepen. Het was vreemd om ons huis zo in verval te zien. Mijn moeder had het te druk met mij en met het werk dus het was niet geheel ondenkbaar dat zij haar weekenden niet ging spenderen met tuingereedschap in haar handen. In de zomer hing er een wespennest aan de steunbalk van het tuinhuisje. Mijn moeder had dat aan vader gemeld, maar die had geen tijd meer. De tuin werd een gevaar, maar toch werd er niets aan gedaan. Dat was voor mij de eerste zomer die volledig binnenshuis werd doorgebracht.
Het probleem was dat vader meteen na zijn werk naar het huis in de Groenestraat reed. Moeder verdacht hem ervan om vakantiedagen en ziektedagen in te zetten om aan het huis te werken. Hij vertrok voor de zon opkwam en sloot zijn dag af om middernacht. Hij sputterde door de dag op vier uur slaap en vijf liter koffie. Soms lag ik in bed en hoorde ik hen ruziemaken. Dan riepen ze naar elkaar en werd er met dingen gegooid. Het waren altijd luide en fysieke ruzies. Ik kon het vanonder de dekens goed volgen en de discussies eindigden altijd op dezelfde manier. Mijn vader zou mijn moeder sussen en zeggen dat het maar voor een paar jaar was. Hij had het huis voor ons gekocht en deze jaren zouden verbleken tegen de gelukkige jaren in het landhuis. Mijn moeder zou toegeven omdat ze hem graag zag en dan vielen ze in mekaars armen in slaap in de zetel tot de zon tussen de kieren van de gordijnen binnenschoot.
De grote afwezigheid van mijn vader zorgde voor automatisch minder betrokkenheid in mijn prille leven. Hij was er niet op oudercontacten, familiefeesten en vrije dagen. Misschien waren dat wel de jaren waarin ik hem het meeste nodig had. De herinnering aan mijn vader werd gereduceerd tot het doffe stemgeluid dat soms eens tijdens een ruzie tot boven gleed. Op de goede dagen hing er in de ochtend nog een walm koffie en een snuif Davidoff. Dan wist ik dat hij nog bestond en kon ik de dag veroveren. Mijn grootouders vonden het sneu voor me en namen ook ouderlijke taken over waardoor mijn moeder soms vrijgesteld werd van de dagelijkse lasten die ik veroorzaakte. Als ik met mijn grootvader voor de voetbaltraining een kaasburger met aardappelen en snijbonen kon eten, was dat al lang goed voor mij.
Toen mijn vader op een dag gewoon in de zetel zat na schooltijd, wist ik niet hoe ik me moest gedragen. Het leek me niet het moment om mijn rugzak nonchalant in het gangpad te gooien dus ik zette mijn versleten rugzakje in de hoek van de woonkamer. Die plek was jaren geleden aangewezen door de toen nog aanwezige patriarch. Er zat plots een magere vreemdeling in te grote kleren op de plek waar ik altijd zat. Vaders haar was vet en dof, zoals een dier dat te lang in het wild heeft geleefd. Zijn gezicht was bedekt met groeven en schrammen, die een schaduw over zijn zoekende gelaat wierpen. Het was lang geleden dat hij nog eens met mij had gepraat en het viel op dat hij moeilijk uit zijn woorden geraakte. Op zijn handen zaten oude littekens van grote werken en onder zijn nagels zat er zaagmeel en verf. Hij keek me aan met waterogen en sloeg een arm om me heen. Er lag een vel over zijn ogen zoals bij oude melk. Vroeger hield ik van zijn omhelzingen, maar nu voelde het bevreemdend. De armen waren te klein geworden om me volledig te omsluiten, ze hingen er nu zelfs een beetje zielig bij, zoals twee gestripte hazen aan een weerhaak in een kelder.
‘Het is bijna klaar’, fluisterde hij.
Op dat moment heb ik geleerd dat ‘bijna’ voor volwassenen iets anders betekent dan voor kinderen. Bij kinderen betekent ‘bijna’ dat het eigenlijk geen moeite meer kost om nog wat te wachten. Je staat zo dicht bij het eindresultaat dat duiding praktisch overbodig is geworden. Voor volwassenen is het woord een excuus. Het valt onder de categorie liegwoorden zoals bijna, straks en later. Als je het woord weloverwogen in een zin mikt, dan kun je in bepaalde omstandigheden de diepe bron van oeverloze tijd aanspreken. Wat in je hoofd nog een week duurt, transformeert plots in een maand, jaar of zelfs decennium.
‘Dat is goed’, heb ik toen rustig geantwoord.
Vader was al zo lang van het podium verdwenen dat het me eigenlijk niets meer kon schelen. Dit had ook voordelen, want ik kon uren voor de tv zitten. Mijn moeder en mijn grootouders waren er en ik had niet meer het gevoel dat ik iets miste. Op school was het raar omdat mijn vrienden soms in het weekend met hun vader naar een voetbalmatch of naar een concert waren geweest, maar dan zweeg ik gewoon en uiteindelijk went alles. Van mijn vader was er enkel de doffe stem en koffielucht over, hij was als een vreemde op straat uit mijn leven gewandeld. Je zit soms in een koffiebar naast iemand en de volgende dag ben je die ook gewoon vergeten. Ik voelde in mijn vezels wel dat vader bezig was met een wederopstanding. Ik sprak hem niet per se meer, maar hij dook af en toe eens op. Dan stond hij op zaterdag naast het voetbalveld of dan kwam hij ’s nachts boven mijn hoofd hangen. Deze apostel moest niet meer overtuigd worden, maar mijn moeder had meer nodig dan occasionele opkomst en een liegwoord.
Zin om verder te lezen? Laat gerust iets van je horen via het contactformulier.